Kerst-CD "Puer natus est"



CD "Puer natus est" - 19€

Collegium de Dunis o.l.v. Ignace Thevelein

Koor en gambaconsort

 

Ne timeas, Maria – Tomas Luis da Vittoria                            
Magnificat – Leonhard Lechner                                                      
Quem vidistis, pastores – Tomas Luis da Vittoria                           
O magnum mysterium – Adriaan Willaert                                      
Dulcissima Maria – Francesco Guerrero                                          
Angelus ad pastores ait – Orlandus Lassus                                   
Pastores dicite, quidnam vidistis – Christobal de Morales                       
Puer natus est nobis – Orlandus Lassus                                         
Dies sanctificatus – Giovanni Pierluigi da Palestrina                                 
Verbum caro factus est – Orlandus Lassus                                     
Gloria uit Missa ‘Puer natus est’ – Pierre de la Rue                                  
Spem in alium – Jacquet de Mantua                                               
Laudate Dominum – Pierre de la Rue                                                         
Mirabile mysterium – Jacquet de Mantua                                      
Magi veniunt + Magi videntes – Jacob Clemens non papa           
Exsultate Deo – Giovanni Pierluigi da Palestrina                            

 




“Het woord is muziek geworden”

Dat de muziek geheel ten dienste moet staan van de woorden… met dat motto luidt Claudio Monteverdi omstreeks 1600 de muzikale barok in. Vanaf dat moment heeft vocale muziek als ontegensprekelijk doel de betekenis van de gezongen tekst te versterken, het bedoelde affect uit te drukken en als het ware in klanken uit te beelden. Ondanks het grote belang van deze muziekhistorische wending mag het pleidooi van Monteverdi niet worden begrepen als een veroordeling van de muziek van vóór 1600. Aandacht voor de tekst is een constante in de vocale muziek sinds haar ontstaan, om niet te zeggen een vanzelfsprekendheid. Dat geldt evengoed voor het gregoriaans als voor de meerstemmigheid tot en met de renaissance van de vijftiende en zestiende eeuw.

Anders dan de affectvolle benadering van de barok kiest de renaissancepolyfonie er niet voor om emoties uit te vergroten of systematisch ieder betekenisvol woord van een muzikale uitdrukking te voorzien. Waar de barok staat voor een gedetailleerde aanpak met een voorliefde voor muzikale contrastwerking klinkt de renaissancemuziek meer uitgebalanceerd, maar daarom niet onverschillig. Niet zozeer het woord op zich of de uitdrukking van ieder affect staan voorop maar wel de zin en de tekst als geheel. De muzikale taal van de renaissancepolyfonie is er dan ook een van zinsbogen: thema’s die een lijn vormen met een geleidelijke opbouw en ten slotte in een afsluitende beweging worden neergelegd. Het polyfone karakter schuilt dan in het feit dat verschillende partijen (vier of meer) de thema’s op verschillende momenten inzetten, waardoor een kluwen ontstaat van muzikale lijnen die de componist als het ware kunstig door elkaar weeft. Op sommige momenten moet de polyfonie echter wijken voor een moment van gezamenlijke dictie. Dat is vaak het geval op plaatsen waar de tekst extra aandacht verdient.

In de keuze van composities voor deze opname vormt het kerstgebeuren de rode draad. Met de aanspreking “Ne timeas Maria” brengt de engel de boodschap over aan de aanstaande moeder. In het “Magnificat” weerklinkt vervolgens de Bijbelse lofzang van Maria om dat heugelijke feit. De herders uit het kerstverhaal vormen het onderwerp van verschillende toonzettingen, die vaak meer verhalend zijn opgevat (bijvoorbeeld door de ingebouwde directe rede van de engelen en hun blijde boodschap). Datzelfde narratieve karakter blijkt eveneens in het latere optreden van de drie wijzen (“Magi veniunt”). Anderzijds zijn er ook theologisch meer complexe bespiegelingen, zoals “O magnum mysterium”, “Verbum caro factum est” of “Mirabile mysterium”. Ondanks hun diversiteit vonden al deze teksten hun plaats in de kerstliturgie, waarin motetten werden gezongen met toepasselijke inhouden voor de tijd van het jaar. Ook teksten met een uitgesproken jubelend (“Exsultate”, “Laudate”) of bijzonder hoopvol (“Spem in alium”) karakter konden van pas komen. Zoals hierboven aangegeven weerklinkt dat karakter ook in de muziek.

Met het Gloria uit de “Missa Puer natus” van Pierre de la Rue bevat deze opname ook een compositie die geen motet is. Het Gloria (“Eer aan God in den hoge”) is een van de vaste delen van iedere misviering. Een muzikale mis (“Missa”) bevat naast het Gloria ook nog het Kyrie (“Heer ontferm U”), de geloofsbelijdenis (“Credo”) en het Sanctus (“Heilig”) en Agnus Dei (“Lam Gods”). Hoewel deze teksten voor iedere liturgische gelegenheid dezelfde waren, verwijzen miscomposities uit de renaissance toch vaak naar de tijd van het jaar waarvoor de mis bedoeld was. Zo verwerkt Pierre de la Rue in het voorbeeld op deze opname het gregoriaans voor Kerstmis (“Puer natus”, dat tevens gezongen wordt bij het begin van de zetting door Orlandus Lassus). Niet de tekst “Puer natus” is te horen, maar wel de melodie, in lange notenwaarden (wat het herkennen ervan extra moeilijk maakt, tenzij voor erg geoefende luisteraars met een diepgaande kennis van het gregoriaans en de polyfone technieken – zoals er toen ongetwijfeld meer waren dan vandaag). Polyfone missen kregen op die manier een liturgische bestemming en ontleenden aan het verwerkte gregoriaans ook hun naam, in dit geval “Missa Puer natus”.

Behalve de Duitser Leonhard Lechner zijn de componisten van de opgenomen werken afkomstig uit drie Europese regio’s: Pierre de la Rue, Jacob Clemens non Papa, Adriaan Willaert en Orlandus Lassus werden geboren in de Lage Landen, Cristobal de Morales, Francesco Guerrero en Tomas Luis da Vittoria zijn Spanjaarden en Jacquet de Mantua en Giovanni Pierluigi da Palestrina Italianen. Zoals de vaak gebruikte benaming “Vlaamse” of “Nederlandse” polyfonie laat uitschijnen, ligt de bakermat van de renaissancemuziek in de Lage Landen. Met de aanduiding “I Fiamminghi” verwees men in Italië niet alleen naar inwoners van het graafschap Vlaanderen, maar ook naar zij die afkomstig waren uit bijvoorbeeld de Noordelijke Nederlanden, het hertogdom Brabant, Noord-Frankrijk of zelfs het Prinsbisdom Luik. Hetzelfde geldt voor de afkomst van de muzikanten die keizer Karel (tevens koning van Spanje) tewerk stelde in zijn “Capilla Flamenca”, en waar Pierre de la Rue er een van was. “Vlamingen” waren gegeerde musici, niet alleen in Spanje, maar ook in Italië, waar Willaert furore maakte als kapelmeester van de San Marco in Venetië, of bij de hertogen van Beieren, die Lassus aanstelden tot kapelmeester aan hun hof in München. De carrière van iemand als Clemens non Papa, die louter in de Nederlanden actief was, is dan ook eerder atypisch te noemen. Internationale uitstraling en mobiliteit waren inherent aan de “Vlaamse” polyfonie van de zestiende eeuw.

Tijdens de renaissance was de blik van vele kunstenaars en geleerden in Europa gericht op Italië, waarvan het Noorden een lappendeken van concurrerende stadstaten was en het midden sterk onder de invloed stond van het pauselijke gezag in Rome. Zoals Willaert trokken vele Vlamingen naar Italië, aangetrokken door de plaatselijke machthebbers en hun mecenaat. Gaandeweg perfectioneerden ook componisten van Italiaanse origine de polyfonie, met Palestrina, kapelmeester van de Sint-Pietersbasiliek in Rome, als bekendste voorbeeld. Het Italiaanse idioom valt op omwille van de vlot zingbare melodieën waaruit het polyfone weefsel is opgebouwd. Men zou kunnen denken dat hier een mediterrane invloed speelt, want ook de muziek van Spaanse componisten kent een grote vocaliteit. Daarenboven verzekerde het Spaanse bewind in de Lage Landen niet alleen een connectie tussen Madrid en het Noorden, maar waren Spaanse componisten ook vaak actief in Italië, en niet in de laatste plaats in het katholieke Rome. Zo was Palestrina de leermeester van da Vittoria.

Met Lassus reikte de Vlaamse polyfonie tot in Duitsland, dat net zoals Italië nog geen eengemaakte staat was. De reputatie van Lassus was bijzonder groot. Niet alleen in München maar in heel Europa stond hij bekend als een van de beste en meest veelzijdige componisten van zijn tijd. Zijn stijl is minder vocaal gedacht dan die van bijvoorbeeld Palestrina en kiest meer voor de zeggingskracht van een soort muzikale declamatie van de tekst. Hij maakt ook vaak gebruik van grotere koorgroepen. Lechner was een leerling van hem.

Hoewel ze allemaal binnen hetzelfde polyfone concept thuishoren, vertonen de opgenomen werken een grote diversiteit aan stijlen – wat niet verwonderlijk is aangezien ze samen ongeveer een eeuw muziekgeschiedenis overspannen. Met een driedubbele canon behoort het “Laudate Dominum” van Pierre de la Rue duidelijk tot de noordelijke traditie van het geleerde contrapunt. Iemand als Willaert brengt dat contrapunt dan weer in contact met de Italiaanse zingbaarheid. Zoals aangegeven kiest Lassus op zijn beurt voor muzikale retoriek en een meer monumentale klankenwereld. Het mag echter duidelijk zijn dat alle componisten de tekstinhoud hoog in het vaandel dragen en de vreugde om Kerstmis ten volle laten weerklinken.

 

Simon Van Damme

 

Digitale opname: Jos Bielen

Artistiek advies: Anita Dur en Jos Bielen

Opname: Kapel Psychiatrisch Instituut Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Michiels Brugge

11-12-2010 + 5-5-2011

 

 


     Sint-Jacobshuys
           Centrum voor koor- en kerkmuziek